Minister Thierry Aartsen schetst In zijn interview met ZipConomy dat hij in vier jaar tijd het zzp-dossier wil normaliseren. Die ambitie waarderen wij. Het is bovendien positief dat hierover voor het eerst in tien jaar een wetsvoorstel door het parlement komt en dat de toon van de minister constructiever is dan we in lange tijd hebben gehoord. Tegelijk vinden we dat een aantal uitgangspunten in het interview het risico in zich draagt dat die juist het tegenovergestelde effect hebben van wat de minister beoogt.

Waar we de minister volgen

De expliciete bevestiging dat zij-aan-zij werken na het Uber-arrest gewoon kán is voor ons een belangrijke stap vooruit. Jarenlang heeft de overheid zelf onduidelijkheid gecreëerd door dit te framen als problematisch of zelfs onmogelijk. Dat een zittende minister dit nu helder uitspreekt, in de Kamer en in de media, doet ertoe. Ook het schrappen van de oude inhuurleidraad bij de Rijksoverheid en het terugkeren naar de Deliveroo- en Uber-criteria beoordelen wij positief. Daarbij hoort wel een duidelijke toets: we zullen het kabinet houden aan een meetbare uitkomst. Groeit de inhuur van zelfstandigen door publieke opdrachtgevers het komende jaar weer of niet?

Het structurele probleem: handhaven zonder duidelijkheid tot 2028 is onhoudbaar

De minister erkent zelf dat opdrachtgevers categorisch zzp’ers weigeren omdat zij de regels niet begrijpen. Tegelijk kondigt hij aan dat de Zelfstandigenwet die deze duidelijkheid moet brengen, pas in 2028 in werking treedt, terwijl de Belastingdienst onverminderd handhaaft op een kader dat hij zelf onvoldoende duidelijk vindt. Dat is een interne tegenstrijdigheid waarvoor echte zelfstandigen in de praktijk de prijs betalen: opdrachten die niet doorgaan, omzet die wegvalt en in sommige sectoren zoals zorg, onderwijs en IT bij de overheid ontstaan acute bezettingsproblemen.

Het argument dat een handhavingspauze ‘vrijheid-blijheid’ zou laten terugkeren vinden we niet overtuigend. Als VZN vinden we dat een tijdelijk moratorium tot de nieuwe wet er is iets fundamenteel anders dan structureel niet handhaven. We pleiten daarom voor tussenmaatregelen, zoals het hoofdzakelijk handhaven bij evident misbruik in combinatie met coulance voor opdrachtgevers die te goeder trouw handelen en actieve monitoring van uitstroom uit zelfstandigheid in deze overgangsperiode.

De €38-grens werkt in de praktijk anders dan in de wet

De minister stelt terecht dat €38 niets zegt over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Als VZN onderschrijven we dat volledig. Maar in dezelfde adem geeft hij aan te verwachten dat opdrachtgevers door deze grens ‘anders gaan nadenken’. Precies daar zit volgens ons het ongewenste effect. We zien nu al dat opdrachtgevers €38 gaan gebruiken als feitelijke ondergrens om risico’s te vermijden. Daarmee ontstaat via de achterdeur een minimumtarief, zonder dat dit expliciet zo is bedoeld of democratisch is vastgesteld. Dat raakt onevenredig sectoren en groepen zoals zorg, cultuur, toerisme, parttime ondernemers en startende zzp’ers. Juist groepen waar de minister zegt voor op te willen komen.

Afschaffing startersaftrek: de motivering klopt niet
De minister stelt dat de startersaftrek ‘niet effectief bijdraagt aan extra ondernemerschap’ en verwijst daarvoor naar onderzoek. Die stelling moet worden onderbouwd. We vragen transparantie over welk onderzoek hier aan ten grondslag ligt.
Daarnaast schuurt de onderliggende redenering. De uitspraak “je bent geen zzp’er voor het geld of voor het fiscale voordeeltje” klinkt sympatiek, maar gaat voorbij aan de realiteit van startende ondernemers. Wij zien dagelijks dat zij juist in de eerste jaren een lage en onzekere omzet hebben en zichzelf moeten voorzien in aov, pensioen en buffers. Passie betaalt geen aov-premie. Het schrappen van de startersaftrek zien we niet als een stap naar een gelijk speelveld, maar als een verhoging van de drempel om te beginnen.

‘Gelijk speelveld’ vraagt om symmetrie
De minister koppelt zijn beleid aan fiscale gelijkheid tussen werknemers en zelfstandigen. Als VZN zijn we voor een eerlijk speelveld, maar dat vraagt om symmetrie. Werknemers beschikken over doorbetaling bij ziekte, vakantiegeld, pensioenopbouw via de werkgever, ontslagbescherming en toegang tot de ww. Zzp’ers regelen dit zelf, vaak tegen hogere kosten. Wij vinden dat fiscale verschillen juist (deels) deze kosten compenseren. Een gelijk speelveld is pas geloofwaardig als ook de andere kant van de medaille wordt meegenomen: toegang tot collectieve voorzieningen onder gunstige voorwaarden of voldoende fiscale ruimte om deze zelf op te bouwen.

Het framewerk: pas op voor beleid op uitzonderingen

De minister verwijst in zijn betoog regelmatig naar ‘schrijnende gevallen’ en ‘foute-boelgevallen’ om strenger beleid te rechtvaardigen. Als VZN erkennen we dat die gevallen bestaan en moeten worden aangepakt. Maar we vinden het onjuist om beleid primair op die uitzonderingen te baseren. De overgrote meerderheid van zzp’ers werkt vrijwillig, bewust en naar tevredenheid zelfstandig. Wij vragen het kabinet om bij elke maatregel expliciet te toetsen: lost dit het probleem op zonder de bewuste en goed functionerende zelfstandige in de weg te zitten?

Dat raakt direct aan het centrale frame ‘normaliseren’. Voor ruim één miljoen werkenden ís zelfstandig ondernemerschap al de norm. De abnormaliteit zit niet bij hen; die zit in een wettelijk kader dat onvoldoende duidelijk maakt wanneer iemand zelfstandig ondernemer is. Normaliseren betekent niet dat we er niet meer over praten. Het betekent dat zelfstandig werken wordt erkend als volwaardige arbeidsvorm en ook zo wordt behandeld in wetgeving en uitvoering.

Wat wij van het kabinet verwachten

Als VZN pleiten we voor serieuze tussenmaatregelen op de korte termijn om de schade van het handhavingsgat tot 2028 te beperken en transparantie over de onderzoeken waarop het kabinet z’n fiscale keuzes baseert. Op de middellange termijn pleiten we voor een Zelfstandigenwet die niet alleen criteria voor zelfstandigheid vastlegt, maar ook de bijbehorende infrastructuur, zoals toegankelijke verzekeringen, vrijwillige pensioenopbouw en een fiscaal kader dat het ondernemersrisico erkent. Wij denken graag constructief mee. Maar dat vraagt ook dat de minister bereid is om een aantal van de posities in het interview opnieuw te wegen.